Poirot
Ik hield van hem, weet u. Ik hield werkelijk van hem.
We zouden trouwen, kinderen krijgen … voor altijd en eeuwig gelukkig zijn.
En toen kwam u.
Ik weet nog precies hoe u mijn aandacht trok, toen u het restaurant binnenging.
Of moet ik zeggen: ‘binnenschreed’?
Schrijden mensen als u?
Mensen als u … Er bestaan geen mensen als u. U bent uniek, nietwaar?
U bent uniek en wilt dat weten.
Ik zie nog voor me hoe u zorgvuldig een tafeltje uitkoos, niet te dicht bij het raam, want daar kon het tochten. Niet te dicht bij het vuur. Daar was het te warm.
Een tafeltje in het midden van het restaurant, dicht bij de pilaar.
Veel te dicht bij ons.
U trok de broekpijpen een tikje omhoog voordat u ging zitten. Een kleine, secure handeling.
Net als iedere beweging van uw verhoudingsgewijs kleine handen.
Misschien had het mij niet moeten verbazen dat uw handen zo klein waren, maar dat deed het wel.
Ik maak mijzelf graag wijs dat het door uw postuur kwam; door uw omvangrijke buik en het bijna grote, eiervormige hoofd.
Maar dat was het niet.
Ik weet niet precies wat het wel was. Misschien had het te maken met de indruk die u maakte. Die hoorde eenvoudigweg niet bij die kleine, zorgvuldig gemanicuurde handen.
Ralph merkte dat mijn aandacht van hem was afgedreven.
Hij keek even om en lachte naar u.
Hij begreep het niet.
Ik weet eigenlijk niet of ik het wel meteen begreep, maar ik voelde iets … iets onaangenaams. Zoals het gevoel van kilte dat je ervaart vlak voordat de winter zijn opwachting doet en met zijn ijzige wind maanden van kou voorspelt.
De ober reikte u de menukaart aan en er ontstonden twee rimpels op uw voorhoofd, toen u de pince-nez op uw neus plaatste en uw aandacht aan de kaart schonk.
Althans … dat dacht ik. Ik dacht dat uw aandacht de kaart betrof.
Nu weet ik beter dan dat.
Had ik toen geweten wat er onder die kalende schedel plaatsvond, dan had ik …
Ja, wat? Ik weet niet wat ik dan had gedaan. Dat is de waarheid. Ik weet het niet.
Ik was me niet bewust van mijn eigen hand, die rustte op het kostbare hangertje met ingelegde roosdiamanten, maar u was zich daarvan bewust, nietwaar?
Zag u dat Ralph de ketting aan mij gaf?
Sloeg u ons gade, lang voordat u die tafel koos? Voordat ik u zag?
Was dat de ware reden waarom u uitgerekend die tafel koos?
Of was het slechts een gok?
Nee. Geen gok.
U, meneer Hercule Poirot, neemt geen gok.
Uw handelingen -al uw handelingen- zijn het resultaat van de werking van uw grijze hersencellen. Zo noemt u het in ieder geval.
Ik haat het, als u op die wijze praat.
Ik haat de manier waarop u beweegt, waarop u uw snorpunten tussen twee vingers neemt en naar boven krult, de manier waarop u praat en bovenal, bovenal, haat ik de manier waarop u met uw donkere, priemende ogen iemand aankijkt.
Alsof u weet wat zich achter de ogen van de ander afspeelt.
Doet u dat? Weet u dat?
U maakte een compliment over het hangertje, toen ik naar het toilet ging om mijn neus te poederen.
U vroeg of u hem mocht zien en ik was dom genoeg om het toe te laten.
Maar kunt u mij dat kwalijk nemen?
Ik was trots op het sieraad.
Het bewees niet alleen Ralphs liefde voor mij.
Het bewees dat het niet mijn geld was, dat hij wilde.
Dat het niet dat was, wat hij nodig had.
Dat ik dat was.
Dat betekende het voor mij.
Ralph.
Mooie Ralph met zijn zongebruinde huid, zijn prachtige bruine ogen, zijn zachte mond.
Ralph …
Geef me een moment.
Mijn ogen branden.
Het was een prachtige hanger.
U maakte complimentjes over die hanger; stelde vragen.
Vragen over de gelegenheid; over Ralph.
Over de toevallige ontmoeting met Ralph en hoe Ralph en ik elkaar meteen vonden, alsof het zo was bedoeld.
‘Hij moet erg vermogend zijn, dat hij u een dergelijk prachtig en uniek sieraad kan geven,” zei u. U noemde het bijna nonchalant.
Misschien dat ik daarom knikte.
“Hij ís vermogend,” zei ik. “Als dat niet zo was geweest …”
Ik maakte de zin niet af.
Ik kon immers een vreemdeling niet uitleggen hoe wantrouwig ik was, sinds ik het vermogen van mijn ouders had geërfd.
“Ik dacht al dat ik hem kende,” zei u. “Ralph … Ralph … Mon dieu. De achternaam ligt op het puntje van mijn tong.
Ik trapte erin.
Als ik had geweten wie u was, dan was dat nooit gebeurd. Dan had ik begrepen dat u, Hercule Poirot, nooit iets vergeet.
Eigenlijk is dat de enige genoegdoening die ik voel. Dat ik u niet kende.
Diep van binnen moet dat pijnlijk voor u zijn geweest.
Maar u liet het niet blijken.
“Ralph Smith,” zei ik.
Belde u de politie, toen u kort daarna uw tafel voor even verliet?
Of deed u dat pas later?
Ik weet het niet.
Ik heb immers niet doorlopend op u gelet.
Ik had Ralph.
Ralph had mij.
We hadden elkaar.
Was dat werkelijk zo moeilijk te begrijpen?
Nee.
U begreep het wel. Maar het ging niet om mij.
Het ging niet om ons.
Het ging om De Zaak.
Ik dacht dat ik verbaasd was, toen u opeens bij ons aan tafel kwam zitten.
Nu besef ik dat het geen verbazing was.
Angst. Het was angst.
Angst dat als een klein maar levensgevaarlijk en afschuwelijk monster diep in mij het licht zag en groeide met iedere minuut die verstreek.
U wierp dit keer slechts een korte blik op de hanger.
Ik weet nog goed hoe ik hem meteen bedekte met mijn hand. Instinctief.
Maar uw aandacht ging al naar Ralph.
Ik begreep toen al dat het niet uitsluitend verbazing was, wat ik zag in de ogen van de liefde van mijn leven.
Hij voelde eindelijk hetzelfde als ik. Hij voelde het nog sterker, denk ik.
Nee. Eigenlijk weet ik dat zeker.
Hij werd bang.
Al deed hij zijn best om het niet te laten blijken.
Maar ik zag de kleine trilling bij zijn rechtermondhoek.
“Ralph Smith.” Ik hoorde uw lichte sarcasme bij het uitspreken van de achternaam.
Smith.
“Of moet ik Ralph Clarck zeggen?” U hield uw hoofd een tikje schuin, terwijl u hem aankeek met die verschrikkelijke ogen van u.
“Ik heb geen idee wat u bedoelt. Ik zou het op prijs stellen als u mij en mijn verloofde met rust liet,” zei Ralph.
Ik verloor mijzelf in ‘mijn verloofde’, maar kon het pijnlijke besef dat zijn blik onrustig fladderde niet volledig weren.
“Ralph Smith. Ralph Clarck, Riley Abott.” U bleef hem aankijken, terwijl u die namen noemde.
Beseft u wel hoe penetrerend uw stem kan zijn? Hoe vlijmscherp het iemands ziel binnendringt?
Ralphs hand kneedde het tafelkleed. Ik keek ernaar. Ik kon niet anders.
U leek het niet te zien, maar ik weet dat u niets ontgaat.
Helemaal niets.
Ralphs stem dreigde toen hij zei dat u ons met rust moest laten.
“Hij is gek,” zei hij tegen mij.
Ik wílde hem zo graag geloven. Ik geloof dat er niets was wat ik liever wilde.
Maar ik kon het niet meer.
Het wantrouwen was gezaaid. Door u.
Mijn illusie aangetast. Door u.
U reageerde niet op zijn dreigementen. U leek het niet eens te horen.
Uw stem had die autoritaire klank … “Charlotte Girard. Ze stierf aan een overdosis slaaptabletten. Maar Charlotte was pijnlijk secuur met haar doseringen. Iedereen wist dat. Iedereen, behalve jij, nietwaar? Als jij dat had geweten, had je wellicht een andere methode gekozen. Zoals bijvoorbeeld bij Eleanor Hensson. Ik neem aan dat je wist hoe chaotisch ze was. Chaotisch en nerveus. Het feit dat ze meerdere medicijnen door elkaar gebruikte, die haar uiteindelijk fataal werden, trok nauwelijks de aandacht van de media. Typisch iets voor haar, zei iedereen. Net als het feit dat er minder te erven viel, dan de nakomeling had verwacht. Wisten ze dat jij haar minnaar was? Of hield Eleanor dat verborgen, omdat haar man was opgenomen in een tbc-kliniek in Leysin en een verhouding niet paste?”
Ralphs hoofd was rood. Zijn handen bewogen krampachtig, toen hij de ober riep.
Woedend.
Waren zelfs de obers op de hoogte? Draalden ze daarom?
U ging gewoon door op diezelfde rustige, maar vlijmscherpe toon.
“En laten we Helena Fisch niet vergeten. Helena viel tijdens die wandeling in haar vakantie van die rots af, nietwaar? Een ongeluk. Natuurlijk hadden mensen u gezien, maar u was niet bij haar toen het ongeluk gebeurde. U dronk thee met mevrouw Wilsson in de tuin van het hotel.
Mevrouw Wilsson zag hoe Helena Fisch vertrok. Althans … ze dacht dat ze dat zag, nietwaar? Het zicht van mevrouw Wilsson was immers niet goed en Emmelie White droeg zo’n zelfde japon als Helena, die bewuste dag. Een zomerse beige jurk met een lage taille, die haar lang en mager maakte. Ze droeg niet exact dezelfde jurk, maar dat kon mevrouw Wilsson nauwelijks opmerken. Temeer omdat Emmelie, net als Helena haar haren in zo’n moderne boblijn had laten knippen, zoals tegenwoordig zoveel jonge vrouwen, en die clochehoed droeg waar Helena ook zo dol op was.
Vanaf de plek waar jij en mevrouw Wilsson zaten, kon mevrouw Wilsson geen details onderscheiden en een mens ziet altijd wat ze denkt te zien, nietwaar? En zij dacht Helena te zien, omdat jij naar Emmelie zwaaide en omdat je mevrouw Wilsson vertelde dat Helena een wandeling ging maken, maar dat je zelf liever bij het hotel bleef. Je keek daarbij op de klok, noemde een tijd. Mevrouw Wilsson was een beetje verbaasd dat het al zo laat was.
‘Ik dacht nog … is het al tien uur? Werkelijk verbazend,’ zei ze tijdens haar getuigenis. De verwarring van een oude dame... De politie stond er niet bij stil.”
U schudde uw hoofd. Ik neem aan dat het voor u onbegrijpelijk was dat een dergelijk detail over het hoofd werd gezien.
U ging verder. “Je wist wat Emmelie droeg en je wist dat Emmelie de bewuste wandeling zou maken. Je had haar die ochtend zelf dat advies gegeven vanwege de prachtige bloemen die ze op die route kon bewonderen en Emmelie nam je advies maar al te graag aan. Ze was ongetwijfeld verliefd op je. Misschien was het niet eens toeval dat uitgerekend ze in dezelfde periode in het hotel verbleef als jij en Helena.”
U glimlachte toen u dat noemde. Zo verdraaid tevreden met uzelf.
Ik wilde niet dat u verderging, maar ik kon u niet stoppen. Mijn keel zat dicht.
“Ik vermoed dat je Helena hebt gevraagd om uitgerekend die jurk aan te trekken, die ochtend. Je plan was zorgvuldig opgezet. Maar niet zorgvuldig genoeg voor mij, Hercule Poirot.
Mevrouw Wilsson geloofde jou op je woord. Ze geloofde dat Helena een wandeling ging maken en ze geloofde dat het tien uur was. En dat deed de politie ook. Het zou misschien anders zijn geweest als je Helena’s echtgenoot was geweest of iets bij haar dood kon winnen. Maar het tegendeel leek het geval. Ze wisten immers niet hoe handig je was in het overtuigen van dames om geld te investeren in het fonds dat niet bestond.
En het was natuurlijk een feit dat Helena bijzonder ongemakkelijke schoenen had uitgekozen voor haar wandeling. Maar was dat niet typisch Helena? Mode ging voor gemak. Zoals bij veel vrouwen. En die balustrade bij het ravijn was al heel erg lang aan vervanging toe. Voor de politie was het duidelijk. Een noodlottig ongeval. Niets anders dan dat.”
Ralph was woedend. Ik had hem nooit eerder zo gezien.
Het maakte hem lelijk, weet u.
Hij schreeuwde.
Ik weet eerlijk gezegd niet eens meer wat hij zei.
Misschien verkeerde ik in een shock. Dat moet het wel zijn geweest.
Ik weet dat er obers waren. Dat ze uiteindelijk toch kwamen opdagen.
Ze konden immers moeilijk anders.
Ze vroegen beleefd of u wilde gaan. Typisch eigenlijk, dat ze zelfs onder die omstandigheden beleefd blijven, nietwaar?
Of had dat te maken met uw houding? Met die zelfverzekerde, nee, zelfingenomen houding? Met de manier waarop u uw hand omhoog stak, twee vingers omhoog, en uw lippen tuitte toen u zei: “Un moment, s’il vous plaît.”
U richtte uw aandacht weer op Ralph.
“Met Charlotte was het anders,” zei u toen. “Charlottes familie wist dat ze zuinig was. Zuinig op haar geld. Zuinig op haar sieraden. Ze wisten dat ze nauwkeurig was. Pijnlijk nauwkeurig. Voorzichtig. Ook dat. Ze wisten dat er meer achter haar dood zat. Charlotte zou nooit risico’s nemen op een zeilboot en dat ze haar geld erdoor gejaagd had en haar sieraden had verkocht … nee … dat paste werkelijk niet bij haar. De politie was echter van haar eigen gelijk overtuigd. Een ongeluk, noemden ze het. Zelfs toen ik contact met hen opnam en duidelijk maakte dat er een patroon in zat, geloofden ze mij niet. De arrogantie …”
U meende wat u zei. De arrogantie … Maar hoe wilt u uzelf dan noemen?
U ging verder. Steeds verder. Ik wilde mijn oren dicht houden, maar dat ging niet. Niet meer. “Ze geloofden mij, Hercule Poirot, niet. Maar dat deed de familie van Charlotte.”
Oh, wat haatte ik die hautaine blik van u.
“Die hanger.” U wees naar mijn kostbare sieraad; het bewijs van zijn liefde. “Die hanger was van Charlotte Girard.”
“Ik heb de hanger gekocht,” probeerde Ralph nog nijdig. “Hij lag bij de juwelier en…”
U schudde uw hoofd. “De oorbellen die je Eleanor schonk, hoorden ooit Helena toe. Eleanor droeg ze toen ze stierf, maar er was niemand die dat begreep. Niemand behalve ik. Omdat oude mevrouw Wilsson ze noemde. Ze zag slecht, maar ze vertelde dat de kleur van de oorbellen die Helena tijdens een diner in het hotel droeg zo opvallend was, dat ze Helena kort na dat diner vroeg of ze ze een keer van dichtbij mocht bekijken, met haar monocle.
Helena was zo trots op de oorbellen; ze waren al generaties lang in de familie. Ze zou die oorbellen nooit hebben afgegeven.
En de ring die Charlotte bij haar dood droeg was dezelfde ring die Eleanor was kwijtgeraakt. Althans … iedereen dacht dat ze die ring was kwijtgeraakt. Nietwaar? Het was -en is nog steeds- een spel voor u, nietwaar? Het macabere spel van een arrogante, gewetenloze moordenaar.”
Ralph schoot overeind. U deinsde achteruit.
Ik dacht dat hij u zou slaan.
Nee. Dat is niet waar. Ik dacht dat hij u zou vermoorden.
Hij riep dat u gek was. Dat u loog.
Ik wílde het werkelijk graag geloven.
Maar dat kon niet meer, nietwaar?
De politie greep in.
Ik weet niet eens meer waar ze vandaan kwamen. Ze waren er opeens.
Ze namen hem mee. Mijn Ralph.
Ze namen hem mee en met hem mijn droom. Mijn toekomst.
Dankzij u.
Ik haat u daarvoor.
Nee. Dat is niet waar.
Ik wíl u graag haten. Ik wíl u net zo graag haten als ik hem wilde geloven.
Maar voor beiden is het te laat.
Misschien is het de hebzucht van de mensen die ik haat.
Ja. Ik denk dat het dat is.
Einde